Lucia Smit 

Eenheid van het leven.

De Vlieren:

 

 

Famke heeft het druk met de verzorging van haar kleine heksen. De 29 meisjes groeien voorspoedig alleen het jongetje blijft wat achter. Hij heeft last van stuiptrekkingen en braakt veel. Famke masseert zijn gezichtje, ze begint midden op het voorhoofd op de haarlijn. Ze wrijft zachtjes van het midden van het voorhoofd naar de wenkbrauwen en dan weer naar boven. Ze maakt cirkelvormige bewegingen. Het kleine kindje reageert en wordt rustig. Er verschijnt zelfs een klein lachje op zijn engelachtige gezichtje. Als de eerste zonnestralen de grond raken veranderen de kinderen in vlieren. Ze vormen een heg om de vele perzikbomen. Het kasteel bezit een grote moestuin. De helft van de tuin is omsloten door een grote muur, gemaakt van rotsblokken van de omliggende bergen. Famke gaat even op de grond liggen en kijkt naar de sappige perziken. De wind waait door de takken en de perziken gaan zachtjes heen en weer in de wind. Het lijkt of de bomen zingen. Een sappige perzik valt per ongeluk op haar gezicht ze neemt een hapje en geniet van de zoetige rijpe smaak van de vrucht. Ze zegt: ‘het is tijd dat ik jullie ga plukken’. Famke doet een zwaai met haar toverstaf waardoor alle elektriciteit vrijkomt. Een storm jaagt door de boomgaard. Alle perziken liggen in één keer voor haar voeten. De namiddag is heerlijk warm de mooie heldere zon schijnt op de wat roodkleurige grond. Famke gaat zitten en kijkt hoe de zon achter de bergen verdwijnt. De perziken moeten naar haar kasteel gebracht worden. Tussen de rotsblokken van de moestuin wonen aardmannetjes. Ze zijn uit hun bed gerold door de fikse storm die Famke veroorzaakt heeft. Vriendelijk zegt Famke: ‘zouden jullie deze perziken in jullie kruiwagens naar mijn kasteel kunnen brengen’. De aardmannetjes hebben daar weinig zin in. Hun vriendelijke gezichtjes veranderen. Ze beginnen van uiterlijk te veranderen hun huid rimpelt en er verschijnt een boosaardige grijns op hun gezicht. Hun handen veranderen in gemene lange vingers met scherpe nagels. Als ze Famke willen aanvallen verschijnt Cecile de spin, ze lust wel een paar sappige aardmannetjes. Famke laat Cecile een paar aardmannetjes vangen met haar kleverige draden. De aardmannetjes zijn doodsbang voor Cecile en veranderen terug in goedaardige tuinkabouters. In een lange rij rijden ze op en af met kruiwagens vol met perziken. De kasteelkeuken is onder in het kasteel de kabouters legen hun karretjes voor de grote open haard. Op de keukentafel stampt Famke de perziken fijn daardoor gaat het fermentatieproces sneller. Ze voegt aan het mengsel suiker toe en zes theelepels natuurlijke gist, die ze zelf gemaakt heeft. Het begint al een beetje te borrelen als ze het in grote aardewerken schalen schept. Ze sluit de schalen af en zet ze in haar oude wijnkelder. Elke week roert ze het mengsel goed door met een grote houten lepel. De vloeistof mag niet in aanraking komen met metaal. Famke gaat op zoek naar engelwortel in haar kelder. Ze heeft de planten zelf gekweekt in haar grote moestuin. De wortels liggen op een droge plek met weinig licht. Met veel geduld maakt ze de wortels schoon. Het perziken mengsel is veranderd in een krachtige brandewijn. Het heeft een hoog alcoholpercentage omdat Famke het regelmatig heeft geroerd. Ze zeeft het sap en schenkt het in schone flessen die al gevuld zijn met engelwortel. Het kleine vlier jongetje wordt steeds zwakker het lijkt of er een boze toverspreuk over hem is uitgesproken. Die nacht geeft Famke hem water met een eetlepel van haar perziken brandewijn. De engelwortel doet zijn werk uit het kleine jongetje komt een grote zwarte wolk die de vorm aanneemt van een aardmannetje. Famke is erg boos en pakt een antiek fluitje uit haar zak. Ze fluit drie keer dan komt uit het oeroude bos Cecile aangesneld. Ze is vreselijk opgewonden met een bliksemslag wikkelt ze de kabouter in haar kleverige draden en verdwijnt met het pakketje in een oude eikenboom.  Het kleine jongetje kruipt dicht tegen Famke aan. Het is een koude winternacht buiten vriest het. Famke heeft in de keuken de open haard hoog opgestookt. De kleine vlieren komen tot leven onder een dak vol met sterren. Hun handen en voetjes zijn bijna bevroren van de kou. Famke tilt de baby's op en brengt ze naar de warme keuken.