Lucia Smit 

Eenheid van het leven.

 

De Drakenkoningin:

Famke is nog steeds in Engeland ze heeft Cornwall verlaten en zwerft in een huifkar met een Engels trekpaard over het platteland. Ze moet af en toe een stukje gewone weg nemen, de auto’s razen langs haar heen. Vlak voor haar ziet ze een hert over de weg rennen. Het arme beest wordt geschept door een voorbijrijdende vrachtwagen. Zwaargewond land het beest in een greppel naast de weg. Famke kan niet veel meer voor het hert doen. De hinde kijkt Famke aan met haar grote bruine ogen, langzaam trekt het leven weg uit haar weg. Famke laat de hinde niet langs de weg liggen ze snijdt met een mes de beste stukken vlees van het beest af. Wat overblijft is voor de grote roofvogel die cirkels draait in de lucht boven het kadaver. Langzaam rijdt Famke verder, aan haar rechterhand ziet ze op een heuvel Stonehenge liggen. De zon verdwijnt aan de horizon als Famke haar huifkar parkeert op de grote parkeerplaats. In het gras laat ze haar paard grazen en zelf gaat ze zich voorbereiden op de nacht. Die nacht zal Famke een ritueel uitvoeren in de magische cirkel. Ze cirkelt in de lucht op haar bezemsteel over de magische stenen en land precies in het midden. Ze spreekt een oeroude krachtrune uit en er vormt zich energie in de vorm van kegel die veel weg heeft van een toverhoed. De zilveren kleur van de maan weerspiegelt in de massa zwarte energie. Famke danst met de klok mee op het ritme van de muziek die vrijkomt. De magische cirkel opent zich, het is een deur naar een andere wereld. Famke wordt omringd door elfen die ondeugend aan haar kleding plukken. Ze betreedt een oud bos dat vol staat met eikenbomen. Uit haar tas haalt ze het vlees van de hinde en legt het onder de eik. De vele elfen storten zich op het vlees en binnen enkele minuten is alles verdwenen. De Elfen hebben ontzettend scherpe tanden en het bloed van het rauwe vlees druipt uit hun mondhoeken. Ze hebben niets meer weg van schattige wezentjes met mooie vleugels. Ze zijn eerder angstaanjagend. Famke verdwijnt geruisloos tussen de vele struiken en loopt over een bospad steeds verder het bos in. Het is een prachtige laan waardoor ze loopt. Haar oren vangen het geluid op van de wind en ritselende bladeren. Doordat geluid heen hoort ze gezang dat steeds luider wordt, naarmate ze verder de laan in loopt. Onder een oude boom ziet ze een sater zitten op een grote steen. Zijn stem is die van een engel maar hij ziet eruit als een duivel. Famke stopt en gaat op het zachte mos zitten, Het gezicht van het wezen draait zich om en het kijkt haar aan met zijn lichtgroene ogen. Zijn blik is zo doordringend dat Famke zich ongemakkelijk voelt. Over de weg lopen aardmannetjes langs, ze zien er gruwelijk uit. Op hun hoofden zitten dikke vergroeiingen. De kleine wezens zijn mager en in het wit gekleed, ze hebben spitsen gezichten met puntige neuzen. Ze kijken niet naar Famke en lopen langs haar heen zonder op te kijken. Famke staat op en loopt achter de aardmannetjes aan. Ze betreden een open veld die vol staat met allerlei bloemen. De aardmannetjes verdwijnen tussen het hoge gras richting een hek. Daar lijken ze aan het werk te zijn. Famke blijft op het zandpad en loopt verder. Dan komen er drie wezens op haar afgelopen ze lijken op witte koeien maar ze lopen als een mens. Als ze Famke passeren kan Famke zien dat het een mengelmoes is van een koe en een soort aardmannetje. De wezens grijnzen boosaardig naar Famke.